Spring naar inhoud

Begrippenlijst

Toelichting

Onder de strategische pijlers Milieu-impact, Duurzame Energie, Hergebruik en de organisatiepijlers vind je verschillende prestatie-indicatoren:

Milieu-impact

  • Geëmitteerde CO2 scope 1 (biogeen en fossiel): Directe CO2-emissies, veroorzaakt door eigen bronnen (schoorstenen) binnen de organisatie. Het betreft de uitstoot door eigen gebouwen-, vervoer- en productie-gerelateerde activiteiten.
  • Geëmitteerde CO2 scope 2 (biogeen en fossiel): Indirecte CO2-emissies, door opwekking van ingekochte en verbruikte elektriciteit- of warmte en emissies van afval bij onze externe verwerkers.
  • Vermeden CO2: De hoeveelheid kooldioxide die uitgestoten zou zijn, wanneer er geen gebruik zou zijn gemaakt van een duurzame HVC activiteit. Door activiteiten van HVC hoeft deze energie (in de vorm van elektriciteit en/of warmte) elders niet met behulp van fossiele brandstoffen, en de bijbehorende CO2-emissies, te worden opgewekt. Een andere vorm van vermeden CO2-emissies ontstaat door HVC op de markt gebrachte secundaire grondstoffen (bijv. uit broninzameling PBD, opwerking bodemassen, etc.) en leiden tot een reductie van de inzet van primaire grondstoffen en daarmee tot vermeden CO2-emissies.
  • Fijn huishoudelijk restafval per inwoner: Betreft eerste weegmoment in de restafval keten van alle HVC-gemeenten.
  • Luchtemissies: De emissie-eisen (normen) zijn afgeleid uit de vergunningen. De uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving is gedelegeerd aan de Omgevingsdiensten. De Omgevingsdiensten (Bevoegd Gezag) controleren de naleving via regelmatige inspecties, beoordeling van meetrapporten en continue monitoring van emissiegegevens. NV HVC moet zowel continue metingen (voor o.a. stof, NOx, CO, SO2) als periodieke metingen (voor o.a. dioxinen en zware metalen) uitvoeren. De grenswaarden liggen vast in de vergunning (en kunnen dus per installatie/ locatie anders zijn). De werkelijk gemeten emissies (jaargemiddelden) zijn als percentage t.o.v. de norm weergegeven. Meetapparatuur moet voldoen aan de Europese norm NEN-EN 14181 en wordt jaarlijkse of tweejaarlijkse kalibratie uitgevoerd door een geaccrediteerde meetinstantie middels vergelijkende metingen.

Het CO2-model maakt daarnaast onderscheid in de oorsprong van CO2, namelijk fossiele en biogene CO2. Fossiele CO2 heeft als oorsprong een fossiele brandstof (kolen, olie of aardgas) of grondstof (b.v. plastics met olie als grondstof). Biogene CO2 heeft een vorm van biomassa als oorsprong. Biogene CO2 is kort cyclisch, omdat de plant of het dier CO2 uit de atmosfeer opneemt als het groeit terwijl dezelfde hoeveelheid CO2 weer vrijkomt bij het verbranden van de geproduceerde biomassa. Netto leidt dit dus niet tot een verhoging van het CO2-gehalte in de atmosfeer. Biogene CO2 telt daarom niet mee bij wettelijke heffingen. In tegenstelling tot wat veel andere bedrijven presenteren, betrekt HVC in haar CO2-model ook het biogene deel van de CO2-emissies. Het CO2-model van HVC is voornamelijk gebaseerd op het GHG-protocol. Voor de berekening van de vermeden CO2 wordt naast het GHG-protocol, voor de grondstofstromen, gebruik gemaakt van het EPE-protocol. De belangrijkste assumpties in het model zijn, naast het voorgaande, onderscheid in de oorsprong van CO2 en de gehanteerde emissiefactoren. Deze zijn gebaseerd op verschillende bronnen, waaronder het EPE protocol en CO2emissiefactoren.nl. Het CO2 model van HVC, inclusief de gehanteerde assumpties, is door een deskundige externe partij beoordeeld.

In het voorgaande jaarverslag heeft HVC ervoor gekozen om binnen de scope 2 emissies ook een deel van de scope 3 emissies te rapporteren. Deze scope 3 emissies bevatten emissies die elke jaar terugkomen, maar niet binnen de eigen scope 1 emissies of scope 2 emissies vallen. Denk hierbij aan de afzet van een deel van het portfolio dat (nog) niet binnen de eigen verwerkingsinstallaties verwerkt kan worden. Een voorbeeld hiervan is de externe afzet van een deel van de communale slib bij andere slibverwerkers of bijvoorbeeld een deel van het GFT dat bij andere GFT verwerkers wordt verwerkt. Hierdoor ontstaan er scope 1 emissies bij andere verwerkers die anders binnen de HVC scope 1 emissies hadden gevallen. In het jaar 2024 en 2025 betrof deze scope 3 emissies 100% van de scope 2 biogene emissies en respectievelijk 34% in 2024 en 34% in 2025 van de fossiele scope 2 emissies. 

Duurzame energie

  • Duurzame energieproductie HVC in huishoudens: Betreft alle door HVC opgewekte duurzame energie (inclusief aardwarmte en wind op zee van de deelnemingen na rato van ons aandeel) gedeeld door het gemiddelde energieverbruik per huishouden. Voor de berekening gebruiken we in 2025  gebruik van percentages biogeen 67,6 % en  fossiel 32,4%. De bron van de percentages is de NEa die ook aansluit op de toekomstige aangiften voor de CO₂-heffing. Voorgaande jaren hebben wij gebruik gemaakt van een andere bron.  Het effect van deze bron aanpassing op de duurzame energieproductie uitgedrukt in het aantal huishoudens in 2025 is 59.000.
  • Aantal warmteklanten aangesloten: Betreft het aantal aangesloten warmteaansluitingen op basis van het totaal aangesloten vermogen van warmte aansluitingen gedeeld door het gemiddeld vermogen van 10 kWth per woning.
  • Aantal warmteklanten gecontracteerd: Betreft de in dit jaar nieuw gecontracteerde vermogen van nieuwe aansluitingen omgerekend naar het gemiddeld gebruikt vermogen van 10 kWth per woning.
  • Beschikbaarheid assets Zon en Wind: Betreft de werkelijke beschikbaarheid van de zon en wind activa om energie te produceren. Wij volgen hier de consolidatiekring.
  • Opgesteld vermogen Zon en Wind: Betreft het opgestelde vermogen aan zon en wind activa, wanneer deze maximaal renderen. Wij volgen hier de consolidatiekring.
  • Groen gas productie: Betreft de productie van groengas middels vergisting.
  • Klanttevredenheid warmteklanten: Betreft het klanttevredenheidscijfer wat op basis van een schaal van 1 tot en met 10 is gescoord.

Energie uit (rest)afval

  • Warmtelevering: Betreft de hoeveelheid warmte die is geleverd uit alle warmte producerende installaties uitgedrukt in GWh’s.
  • E-productie: Betreft de hoeveelheid energie die geproduceerd is uit alle energie producerende installaties uitgedrukt in GWh’s.
  • E-levering: Betreft de hoeveelheid energie die geleverd is aan eindgebruikers.
  • Eigen verbruik: Betreft de hoeveelheid energie die HVC zelf heeft verbruikt gedurende het jaar.

Slibverwerking

  • Beschikbaarheid installatie (uptime): Betreft de werkelijke beschikbaarheid van de slibverwerkingsinstallatie om slibverwerking te realiseren.
  • Slibverbranding: Dit betreft het verwerkte volume slib in de SVI gedurende het boekjaar.

Afval

  • Brongescheiden inzameling: Dit is het percentage van de stromen die middels bron scheiding is ingezameld.
  • Restafval per inwoner (VANG): Betreft fijn en grof huishoudelijk restafval verminderd met het scheidingsrendement van deze stromen voor de inzamelgemeenten.
  • Afvalverbranding: Dit betreft het verwerkte volume afval in de AEC’s gedurende het boekjaar.
  • Tevredenheid inwoners inzamelgemeenten: Betreft het klanten-tevredenheidscijfer wat op basis van een schaal van 1 tot 10 is gescoord. In 2025 heeft geen nieuw onderzoek plaatsgevonden.

Veiligheid

  • Ongevallen met verzuim: Aantal ongevallen die geleidt hebben tot verzuim.
  • Brandincidenten: Betreft het aantal brandincidenten.

Organisatie

  • Aantal fte’s ultimo december: Betreft het aantal fulltime equivalenten in dienst ultimo december.
  • Percentage verzuim: Betreft het percentage medewerkers die afwezig is geweest door ziekte. Het verzuimpercentage wordt per actieve medewerker berekend door het totaal aantal verzuimdagen te delen op het totaal aantal werkdagen.
  • Medewerkerstevredenheid: Betreft de overal score van het uitgevoerde medewerkerstevredenheidsonderzoek in 2024. Dit onderzoek wordt uitgevoerd 1 keer in de 3 jaar.
  • Besteding leer- en ontwikkelbudget: Dit betreft het percentage van de in het boekjaar bestede opleidingskosten ten opzichte van de brutoloonsom, afgerond op één decimaal.

Financieel

  • Geconsolideerd resultaat: Is “resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen”.
  • Garantievermogen: (groepsvermogen + achtergestelde leningen aandeelhouders)/ balanstotaal.
  • Solvabiliteit: garantievermogen/balanstotaal.
  • Debt/Ebitda: schuld kredietinstellingen / (bedrijfsresultaat + afschrijvingen op vaste activa + waardeveranderingen vaste activa).
  • DSCR:  bedrijfsresultaat + afschrijvingen op vaste activa + dividend WOZ / aflossingen van de leningen boekjaar+ rentelasten. Deze PI is in de plaats gekomen van de PI's interest coverage ratio en FFO / Debt, vanwege wijziging in financiering.